“Als ik terugkijk, zou ik zo weer voor Fuite kiezen.”

Het was min of meer toevallig dat Jan Allard bij Gebrs. Fuite terechtkwam. Met zijn werk in de scheepslossing staat hij letterlijk aan het begin van de voedselketen. “Mijn interesse in de agrarische sector is zeker aangewakkerd door alle grondstoffen die je hier voorbij ziet komen.” Hoewel Jan Allard zelf niet graag in de schijnwerpers staat, maakt hij voor deze keer een uitzondering en vertelt hij iets over zijn werk.

Hoe ben je eigenlijk bij Gebrs. Fuite terechtgekomen?

“Eerst werkte ik een tijd in de wegenbouw. Dat was mooi werk, maar de lange reistijden begonnen me steeds meer tegen te staan. Ik zat door het hele land en maakte veel kilometers. Op een gegeven moment dacht ik: waarom zoek ik geen werk dichter bij huis? Omdat ik in Genemuiden woon, kende ik Gebrs. Fuite al. Toen ik hoorde dat er iemand werd gezocht voor de scheepslossing, ben ik eens gaan kijken. Wat begon als een zoektocht naar werk dichter bij huis, is uiteindelijk uitgegroeid tot een jarenlang dienstverband. En als ik erop terugkijk kan ik nog steeds volmondig zeggen: bij Fuite heb ik het goed naar mijn zin.”

Heb je zelf ook binding met de agrarische sector?

(Lachend) “Nou, ik kan erg genieten van een goed stukje vlees op mijn bord, maar verder ben ik er niet mee opgegroeid.”

 

Wat vind je het leukst aan je werk?

“Het contact met collega’s en met de schippers. ’s Ochtends meld ik me altijd even bij de expeditie. Daar nemen we samen de planning van de dag door. Door goed met elkaar te communiceren zorgen we dat alles soepel verloopt. Daar kan ik echt van genieten. Daarnaast past het bedrijf Fuite goed bij mij. De werkplek is schoon en opgeruimd, korte lijntjes. Netjes werken vind ik zelf ook belangrijk. Wat dat betreft ga ik ’s ochtends fluitend naar mijn werk en ’s avonds zingend weer naar huis.”

Hoe ziet een typische werkdag eruit?

“De dag begint met het doornemen van de planning. Om een idee te geven; we lossen zestien verschillende soorten grondstoffen. Daarna ga ik naar de haven waar de schepen worden gelost. Met een elektrische loskraan worden grondstoffen worden uit het schip gehaald en via een transportband verder de fabriek in geleid. Ondertussen houd ik in de gaten of alles goed verloopt. Het is belangrijk dat het lossen efficiënt en netjes gebeurt. We moeten natuurlijk voldoen aan regelgeving. Denk daarbij aan GMP of het hebben van een hijsbewijs. Veiligheid staat hoog in het vaandel.”

 

Je staat met je werk eigenlijk aan het begin van de voedselketen. Hoe voelt dat?

“Daar zijn we ons zeker van bewust. De grondstoffen gaan van het schip naar de fabriek en uiteindelijk naar de boerderij. Als wij stil komen te staan, ligt eigenlijk alles stil. Door mijn werk is mijn interesse in de agrarische sector ook gegroeid. Als je iets leest in de krant over grondstoffen of veevoer, dan denk je al snel: daar zijn wij ook bij betrokken. Inmiddels herken ik veel grondstoffen ook. Aan de kleur, en sommige zelfs aan de geur. Alle granen worden bij Gebrs Fuite geschoond. Onze granen zijn op deze manier van een stabiele, hoge voedingswaarde, schoon en smakelijk en met zeer weinig risico te gebruiken voor elke diersoort ”

 

Wat is het grootste schip dat je ooit hebt gelost?

“Dat was een schip dat uit twee gekoppelde delen bestond. Samen goed voor ruim 3600 ton aan grondstoffen. Dat zijn indrukwekkende hoeveelheden. Bij Gebrs. Fuite is het een groot voordeel dat de fabrieken aan een categorie 1-vaarwater liggen. Daardoor kunnen grote schepen aanmeren en is de kwaliteit van de aangevoerde grondstoffen vaak heel constant. Daarnaast is het natuurlijk ook prijstechnisch aantrekkelijk om grondstoffen per schip aan te voeren. Om aan te geven hoe groot de verschillen zijn; we hebben ook wel eens een scheepje van 250 ton voor de wal gehad. Ook dat heeft z’n charme.”

 

Heb je zelf ook iets met water? Zwemmen of varen?

“Nee, eigenlijk helemaal niet,” vertelt Jan Allard. “Al heb ik wel eens afgesproken met een schipper die vaak voor Fuite vaart dat ik een keer mee zou varen vanaf Amsterdam. Maar zover is het nog niet gekomen.”